Deel 1

‘Ben je nou eindelijk klaar?’
Voor de zekerheid had ze nog één keer haar koffer open gedaan om te kijken of alles wat ze nodig had erin zat.
‘Ja, ik kom eraan!’
Beneden stonden de rest van de meiden al op haar te wachten. Zij was de laatste die ze ophaalden en dan zouden ze vertrekken, op naar hun meiden weekendje.
‘Jemig, Priya! Neem je dat allemaal mee?’ riep Rosslyn uit toen ze haar spotte.
Terwijl Priya haar bagage achter zich aan richting de auto sleepte verzuchtte ze; ‘Ach, het valt best mee hoor. Een koffer en een weekendtas.’
Rosslyn schudde haar hoofd en ging op de bijrijdersstoel zitten.
Ondertussen had Nikhia de achterklep van de auto opengedaan en peinzend keek ze van de kofferbak naar Priya´s bagage en andersom.
‘Ik denk dat het wel mee kan, maar dan moet je die tas op schoot houden.’
‘No way!’
Iedereen keek naar Lisa die op de achterbank zat en zich om had gedraaid naar de kofferbak.
‘Hij is niet zo zwaar hoor, ik zal zorgen dat je er geen last van hebt, oké?’, zei Priya.
‘Natuurlijk ga ik daar wel last van hebben. Die tas is te groot om alleen op jouw kleine schoot te passen.’ Na deze woorden draaide Lisa zich om en barstte de rest in lachen uit.
Nikhia maakte ruimte in de kofferbak en friemelde de koffer van Priya er tussen. Haar auto was niet zo heel erg groot, maar met een beetje puzzelwerk kon alle bagage mee.
‘Trouwens, jullie hebben ook allemaal een vrij grote koffer.’
De opmerking van Priya bleef in de lucht hangen zonder dat Rosslyn of Lisa hierop in ging en dus nam Priya maar plaats naast een ietwat geërgerde Lisa op de achterbank.

Met een harde klap gooide Nikhia de achterklep dicht, daarna stapte ze in en kon het avontuur beginnen.Halverwege de rit moesten de dames even stoppen om te tanken.
‘Ik dacht dat je getankt had voordat we weggingen?’, zei Rosslyn met een zucht.
‘Blijkbaar niet. Ach het geeft jullie ook even de kans je benen te strekken. Kijk eens hoe prachtig deze omgeving is.’
‘Inderdaad, het is hier wel echt mooi. Ik ga even een klein stukje lopen zei Priya.
‘Niet te ver hoor, want ik ben zo klaar’, riep Nikhia haar na. Als antwoord stak Priya haar hand omhoog.
‘Ik heb ook wel trek, ik ga even naar binnen. Wil iemand anders nog iets?’
‘Ach ja, ik lust ook wel wat. Ik loop wel met je mee’, zei Rosslyn.
Priya snoof de frisse buitenlucht op en sloot haar ogen, maar niet voor lang. De omgeving was prachtig, zeker in deze tijd van het jaar. Daar wilde ze zoveel mogelijk van genieten.
De zwakke namiddag zon liet de goudgele blaadjes schitteren. Rode en oranje verkleurde blaadjes verdrongen de groene en zorgden dat het uitzicht leek op een prachtig schilderij.
Priya kon intens genieten van de natuur, de frisse lucht en de heerlijke dennegeur in de ochtend. De mist in de ochtend die zorgde dat het er een beetje spookachtig uitzag buiten.
Dit was het perfecte moment om een meidenweekend te houden. Overdag was het nog prima weer, zeker als de zon scheen en ‘s avonds zouden ze binnen zitten met de openhaard aan. Daarnaast kon Lisa ook wel even een verzetje gebruiken na haar verbroken relatie.
‘Hey, Priya, kom je nog?’, riep Rosslyn, ondertussen druk gebarend naar Lisa die met allerlei snacks en eten de auto in probeerde te komen.
Nikhia zat ondertussen al ongeduldig te wachten achter het stuur.
Priya schoot in de lach.
Ze liep richting de auto en stapte in.
‘Jij en je natuur ook altijd. Waarom hebben we er eigenlijk mee ingestemd om naar dat boshuis te gaan?’, vroeg Rosslyn.
‘Nee de stad is lekker, met al die ongezonde dampen van auto’s en fabrieken.’
Nikhia rolde met haar ogen en zij en Rosslyn keken elkaar aan waarop ze in de lach schoten.
‘Daarnaast is het voor Lisa ook leuk om even met ons weg te gaan toch?’
Een stilte viel en de meiden keken allemaal even meelijden naar Lisa, die op haar beurt met haar mond vol een ‘wat?’ probeerde uit te spreken.
Ook al wilde ze het niet toegeven, de breuk tussen haar en haar ex was haar zwaar gevallen.
Priya gaf haar een knuffel en de andere twee meiden legden zo goed en zo kwaad als dat ging hun hand op haar knie.

‘Hey, die auto volgt ons al een tijdje.’
‘Hoe kan dat nou we zijn net bij die benzinepomp weg’, mompelde Nikhia terwijl ze in haar achteruitkijkspiegel keek.
Lisa en Priya keken door de achteruit naar buiten en draaiden zich daarna weer om.
‘Misschien is het gewoon iemand die dezelfde kant op moet?’, zei Lisa.
‘Voordat we gingen tanken dacht ik ook al dat ik de hele tijd dezelfde auto zag.’ Rosslyn bleef achterom kijken.
‘Het zal wel gewoon toeval zijn’, zei Nikhia nuchter.
‘Ik wil niet heel lullig doen hoor, maar zo beginnen de meeste horrorfilms he. Iemand denkt iets te zien, vriendinnen zeggen dat diegene gek is en dan ineens is iedereen dood.’
Priya schoot in de lach om haar eigen grap en de rest volgde snel, waarna ze ook weer snel ophielden en even stil waren.
Daarna keken ze elkaar aan en zeiden in koor; ‘Naaah’, waarna ze weer in de lach schoten.
‘Nou genoeg van die onzin, Lisa geef mij eens zo’n koekje’, gebaarde Nikhia via de achteruitkijkspiegel.
‘Hoe lang duurt het eigenlijk nog voordat we er zijn?’, vroeg Lisa terwijl ze uit het raam staarde.
Het begon nu toch wel donker te worden en ze waren al een tijdje onderweg.
‘Ik geloof dat we er bijna zijn, we zullen alleen wel onze zaklantaarns zo even moeten zoeken. Ik weet niet meer of de auto echt naast het huisje kon staan.’
Een kleine zucht ontsnapte aan Rosslyns mond.
‘Is het dan niet handiger als we die pakken voordat we bij het huisje zijn. Misschien is hier ergens nog wel een kleine parkeerplaats in de buurt. Kijk anders even op de navigatie’, zei Priya tegen Nikhia.
‘Er rijdt hier echt helemaal niemand, ik kan net zo goed hier even stoppen.’
‘Ben je gek geworden? Je gaat hier toch niet stoppen? Het is hier stik donker?’ Rosslyn wierp haar vriendin een boze blik toe.
‘Ross, kijk jij anders even op de navigatie?’, moedigde Priya aan.
Onder licht protest van Nikhia pakte Rosslyn de telefoon van de standaard.
‘Jezus, wat een kut bereik hier zeg. Nou dat wordt lekker zoeken zo.’
Lisa en Priya onderdrukten een lach terwijl ze elkaar aankeken.
Daarna pakte ook zij hun mobiel en probeerden te helpen om een parkeerplaats te zoeken.

‘Shit, ik heb ook bijna geen bereik’, zei Lisa terwijl ze haar telefoon tegen het raam drukte in de hoop dat ze daardoor wat meer bereik zou hebben.
‘We zitten ook in the middle of nowhere, wat dachten jullie dan?’
Binnen een seconde kreeg ze van twee kanten boze blikken toegeworpen. Nikhia draaide zich snel weer om, om op de weg te letten, maar Rosslyn bleef omgedraaid zitten en ook Lisa’s blik bleef op Priya gericht. Die op haar beurt haar handen in de lucht gooide en zei: ‘Hey, jullie hebben hier vrijwillig mee ingestemd dames. Dus nu niet boos op mij worden dat we niet altijd even goed bereik hebben. Daarnaast is het toch heerlijk om even niet bezig te zijn met social media of berichtjes beantwoorden. We zitten straks in een prachtig huisje, met mooi uitzicht op een meer, dieren om ons heen, mooie bossen…’
‘Laten we het er maar ophouden dat het in ieder geval fijn is om even weg te zijn’, zei Lisa.
‘Hebben jullie ondertussen al wat gevonden of niet?’
Het bleef even stil, maar ineens riep Rosslyn uit dat ze een plek vlakbij de afslag naar het huisje had gevonden.
‘Oké, het is niet heel ver hier vandaan en van daaruit kunnen we ook makkelijker bij het pad komen wat naar het huisje leidt.’
‘Ik zie dat we er al bijna zijn, laten we daar dan even stoppen, onze zaklampen pakken en meteen weer door gaan’, opperde Nikhia.
Aangekomen op de parkeerplaats bleven de meiden nog even zitten voordat ze uitstapten.
‘Is dit wel een goed idee?’, vroeg Lisa die naar buiten keek maar niets anders zag dan duisternis.
‘We zullen wel moeten’, zei Priya. ‘Straks kunnen we met de auto niet dicht genoeg bij het huisje komen ofzo.’
‘We kunnen toch in ieder geval kijken of het lukt?’, opperde Rosslyn.
‘Als het niet lukt staan we daar. Ik pak liever hier een zaklamp, mocht er iets gebeuren staan we hier in ieder geval aan de rand van een weg.’
‘Wat zou er moeten gebeuren? Kom, ander blijven Lisa en jij zitten Ross en stappen wij wel uit.’
Nikhia deed haar deur open en stapte uit, net als Priya.
Ze liepen bijna tegelijk naar de achterklep om deze open te doen.
Het was stikdonker en heel stil, in het licht van de koplampen van de auto was er wat damp te zien wat van de grond in het bos afkwam.
In de verte was wat mist, maar verder was er niets te zien dan duisternis. Het gaf hen een onheilspellend en onaangenaam gevoel.
De plotselinge schreeuw van een uil, die daarna weg vloog, zorgde ervoor dat ze een harde kreet uit sloegen.
‘Sssttt!’, siste Lisa vanuit de achterbank.
‘Hahaha het was maar een uil ofzo’, lachte Rosslyn ongemakkelijk.
‘Ik zie jou niet uitstappen, dus stil nou maar’, verweerde Priya zich.
‘Ssst! We zijn allemaal gespannen, laten we die verdomde zaklampen nou maar zoeken dan kunnen we de auto weer in.’
Terwijl Nikhia en Priya de zaklampen probeerden te vinden, werden de ogen van Lisa groot en haar mond zakte langzaam open.
Ze wilde iets zeggen, maar er kwam geen geluid uit haar mond. Met haar hand wees ze langzaam naar achter en door het licht dat scheen in de achteruitkijkspiegel keek ook Rosslyn achterom.
‘Kijk uit!’, schreeuwde ze.


Deel 2

Langzaam opende ze haar ogen. Haar mond voelde droger dan de sahara waardoor ze het gevoel had dat ze al dagen niks gedronken had. Door een kier van het gordijn probeerde een zonnestraal de kamer binnen te dringen. Hoewel de herfst de felheid van de zon heeft doen verzwakken deed de schittering pijn aan haar ogen.
Langzaam probeerde ze een beetje overeind te komen en wat rechter te gaan zitten, maar zodra ze ook maar iets bewoog merkte ze dat ze verging van de pijn. Haar armen en benen voelden zwaar waardoor elke beweging zeer deed. Toen ze de mouw van haar trui een beetje op rolde zag ze wat schrammen en blauwe plekken.
Langzaam bracht ze haar hand naar haar hoofd, in de hoop dat de aanraking de pijn kon verzachten.
Terwijl het lijkt alsof in haar hoofd honderden kabouters met hamers in de weer zijn, keek ze om zich heen.
Deze kamer, deze plek kwam haar niet bekend voor en ook de lakens waar ze onder lag en het bed waar ze in lag, had ze nog nooit eerder gezien.

‘Wat is er met me gebeurd en waar ben ik in hemelsnaam beland?’

Terwijl ze in gedachten verzonken was en nog steeds verging van de hoofdpijn en de dorst, werd er op de deur geklopt. Ze wilde iets zeggen alleen kwam er geen geluid uit haar mond. Het hoofd van een knappe, donkere jonge man verscheen voorzichtig in de deuropening.
‘Hoi, goedemorgen.’
Zijn stem was zwaarder dan ze verwacht had.
Weer probeert ze te praten maar hoe meer ze haar best deed, hoe minder ze slaagde.
‘Stil maar, probeer maar niet te praten’, zei hij bijna fluisterend. Hij kwam naar me toelopen en ging op de rand van het bed zitten.
‘Hier, neem een slokje. Je zult wel dorst hebben.’
Ze knikte.
Het koude water zag er voor haar uit als een oase in de woestijn. Gretig nam ze een paar slokken.
‘Rustig drinken, niet alles tegelijk’, zei hij terwijl hij het glas uit mijn handen pakte en op het nachtkastje zetten.
‘Wa..wa..’ Ze probeerde te praten maar het lukte niet. Zachtjes legde ze haar rechterhand op haar keel en wreef heen en weer.
‘Probeer nog even wat te rusten. Je hebt een flinke klap gemaakt. Ik kom zo nog even bij je kijken.’
Ze liet zichzelf wegzakken in het bed, terwijl de vreemde man haar toedekte.
Daarna liep hij weg en liet haar alleen achter in de kamer.
Hij had het over een flinke klap en ze probeerde zich te herinneren waar ze hier voor was, maar ze had geen idee. In de hoop dat haar hoofdpijn zou verminderen sloot ze haar ogen en langzaam viel ze weg in een diepe slaap.

Uren verstreken zonder dat ze daar erg in had. Elke keer werd ze even wakker om vervolgens weer weg te doezelen.
Het moet al avond geweest zijn toen ze weer echt wakker werd. Haar hoofdpijn was al aardig gezakt en ze kon zich ook weer een beetje bewegen. Ze ging rechtop zitten en probeerde om zich heen te kijken. De kamer was kaal. Naast het bed waar ze in lag en het nachtkastje dat er naast stond, was er een houten stoel, een soort dressoir en er hing een spiegel. De gordijnen die er hingen zagen er oud uit en het rook ook erg muf. Ze sloeg de dekens van zich af en zette haar voeten op de koude vloer. Ze liep, een beetje wankel, naar het raam en schoof de gordijnen een stukje opzij. Het schemerde al een beetje en daardoor kon ze niet goed zien waar ze was, het enige wat ze kon zien waren bomen.
Het was muisstil in huis en ze vroeg zich af of ze alleen was.
Zo stil mogelijk sloop ze naar de deur die een klein beetje kraakte toen ze hem open deed. Op de gang brandde een zwakke lamp. Links van haar waren nog twee andere deuren en rechts zat de trap naar beneden. Recht voor haar zat nog een trap naar boven. Ze durfde niks te zeggen en haar hart ging als een razende tekeer. Ineens besefte ze dat ze op haar blote voeten liep en ze besloot terug te gaan naar de kamer om te kijken of ze misschien sokken en schoenen kon vinden. Ze keek om zich heen, maar zag niets. Misschien onder het bed. Ze probeerde te voelen of er wat lag, maar er lag niks. Toen zag ze ineens aan het voeteneind haar laarsjes staan. De sokken kon ze nergens terug vinden en gruwelend besloot ze om met haar blote voeten de laarzen gewoon zo aan te doen. Als ze ergens een hekel aan had was het wel met blote voeten in schoenen stappen.
Ze plofte neer op het bed. Wat moest ze nou doen? Ze probeerde zich te herinneren wat er gebeurd kon zijn, maar er kwam niets in haar op.
Uiteindelijk besloot ze om te kijken of ze de man kon zoeken die haar het water gegeven had. Misschien wist hij wat meer en kon hij haar vertellen wat er gebeurd was. Terwijl ze de trap af liep naar beneden probeerde ze te zien of de man daar misschien was. Het huis was donker. Er brandden maar drie lampen, twee schemerlampjes en het licht in de keuken. Van alle opwinding had ze een droge keel gekregen en ze liep naar de keuken om een glaasje water te pakken. De houten keuken was niet erg groot, dus nadat ze twee de kastjes had opengetrokken vond ze al een glas. 
Nadat ze wat gedronken had besloot ze rond te kijken in de rest van het huis, misschien kon ze ergens een aanwijzing vinden over wat er zich had afgespeeld voordat ze hier terecht kwam.

In de gang liep ze langs een spiegel en toen ze er in keek schrok ze van wat ze zag. Er zaten wat schrammen in haar gezicht en haar haar zag eruit alsof ze het een week niet gewassen had. Donkere kringen hadden zich rondom haar ogen gemanifesteerd en in haar onderlip zat een klein scheurtje.
Het evenbeeld wat ze in de spiegel zag, zette haar aan het denken. Wat kon er in godsnaam gebeurd zijn dat ze er zo uit zag?
Ze moest op zoek gaan naar antwoorden, maar hoe kon ze die vinden als ze niet wist waar ze moest beginnen met zoeken?
Voorzichtig liep ze de woonkamer in en liet zichzelf zakken op één van de stoelen die er stonden. Het was erg fris en ze sloeg de deken die over de leuning van de stoel lag om me heen.
Er was een openhaard tegenover haar en daarboven hing het hoofd van een hert als een soort trofee. Op de mantel stonden alleen wat half opgebrande kaarsen. In de hoek bij een raam stond een wit houten tafel met twee stoelen, een roodwit geblokt kleedje lag erover heen gedrappeerd. Naast de stoel waar ze op zat was er nog één stoel en er stond een tweezits bank, temidden van dit alles stond op een beige kleed een houten salon tafel.
Ze schoot naar voren, ineens herinnerde ze zich iets. Een huisje in de bossen, daar zouden we naar toe gaan dit weekend!
In haar herinnering zag het huisje wat ze geboekt had er niet zo uit en ze besefte dat dit ook niet dát specifieke huisje was.
Was ze hier alleen? Waar waren de andere meiden?
Misschien lagen ze wel boven te slapen en met dat idee stond ze op en liep zo goed en zo kwaad als het kon in een snel pas naar de trap.
Het was inmiddels aardig donker en ze drukte op het lichtknopje dat op de muur naast de trap zat. Boven sprong er een lampje aan en ze liep de krakende trap op.
Er waren vier deuren en één daarvan was van de kamer waar ze in had gelegen. De eerst volgende deur die ze open deed was die van de badkamer.
‘Hallo?’, zei ze zachtjes. Ze schrok van haar eigen stemgeluid en ze voelde haar hart meteen te keer gaan.
Voorzichtig schuifelde ze wat verder naar voren, deze deur stond op een kiertje. Ze rekte haar hand uit en pakte zachtjes de deurknop vast. Daarop duwde ze de deur open, maar het was donker en er was niemand. Het tweepersoonsbed leek onbeslapen en de rest van de kamer zag er opgeruimd en netjes uit.
Op naar de laatste kamer, deze deur zat dicht en hij lag aan het einde van de hal. Stapje voor stapje met haar hart in haar keel liep ze er heen.
Wie weet wie of wat ze daar aan zou treffen.
Ze stopte toen ze voor de deur stond, op haar voorhoofd ontstonden zweet druppeltjes en haar handen voelden klam aan.
Met een bonzend hart reikte ze mijn hand voorzichtig uit naar de deurknop.
Plotseling klonk er een harde knal waardoor ze verstijfde. Zware voetstappen vervulden de oorverdovende stilte die er tot nog geen seconde geleden hing.
Ze stond aan de grond genageld en had het gevoel dat haar hart uit haar borst zou knallen, zo snel en hard klopte het.
De voetstappen leken te verstommen, maar ineens kwamen ze steeds dichterbij.
Ze draaide me om, maar ze wist niet zo goed wat ze moest doen.
Ineens raakte ze in paniek omdat ze niet wist waar ze was en wie de man was die ze eerder had gezien.
De voetstappen zorgden ervoor dat de traptreden begonnen te kraken en werden steeds harder.
Wat moest ze nou doen?
Alles in haar schreeuwde dat ze weg moest lopen maar het lukte haar niet, ze was te bang en verstijfd om te bewegen.


Deel 3

Ze zag de man naar de kamer lopen waar ze gelegen had. Hij deed de deur een stukje open, maar toen hij zag dat ze er niet was deed hij de deur weer dicht.
Ondertussen stond zij nog steeds op dezelfde plek, het laatste beetje moed dat ze had was nog verder gezonken dan de Titanic.
Ze kneep haar ogen dicht en hoopte dat hij haar niet zou zien.
‘He, daar ben je.’
De man kwam haar kant opgelopen, het leek of hij vriendelijk naar haar lachte, maar door de schemering van het zwakke lampje dat halverwege de hal brande, kreeg ze een onbehaaglijk gevoel over zich heen.
Hij kwam steeds dichterbij en er was geen manier om weg te komen zonder dat ze langs hem moest.
‘Wat wil je van me?’, vroeg ze met trillende stem.
‘Rustig maar. Als je mee naar beneden gaat dan kunnen we wat eten en misschien even praten’, zei hij terwijl hij net voor haar stopte.
Ze schraapte haar keel zodat ze wat meer controle kreeg over haar stem. Ze wilde niet overkomen als een bang schaap, hoewel het daar misschien al een beetje te laat voor was.
‘Ik weet dat het misschien moeilijk te geloven is, maar ik zal je echt niets doen. Daarnaast, als ik dat al had gewild dan had ik dat allang gedaan’, zei hij terwijl hij zich omdraaide.
Hij liep richting de trap, draaide zijn hoofd om en zei: ‘Als je trek hebt dan zie ik je zo beneden. Ik heb soep en wat brood.’
Daarna vervolgde hij zijn weg naar beneden en liet haar daar een beetje verward achter.
Terwijl ze naar de trap liep, vroeg ze zich af of ze hier wel goed aan deed. Ze had wel honger en eigenlijk wilde ze ook wel weten hoe ze hier terecht was gekomen.

Aarzelend liep ze de trap af, de geur van vers gemaakte soep die in haar neus kroop zorgde er voor dat haar maag begon te knorren.
Ze wreef met haar hand over haar buik, alsof dat zou helpen tegen het borrelen. Toen ze bij de woonkamer kwam zat de vreemde man al aan tafel. Hij had haar en zijn eigen bord al gevuld met soep. Er stond een klein mandje met, wat leek, zelf gebakken broodjes en een kan met water.
‘Ah, je bent er. Ga zitten.’
Zonder iets te zeggen nam ze plaats op de stoel tegenover hem. Hij reikte haar het mandje met broodjes aan, zodat ze er één kon pakken, maar ze schudde nee.
‘Eet smakelijk’, zei hij terwijl hij een broodje pakte en een hap nam.
‘Hoe ben ik hier terecht gekomen?’, doorbrak ze de stilte.
‘Laten we eens beginnen met je naam. Ik heb je gered en ik weet je naam niet eens’, zei hij. Daarna stopte hij het laatste stukje brood in zijn mond en begon in zijn soep te roeren.
‘Priya. Ik heet Priya’, antwoordde ze.
‘Ik heet Craig, aangenaam’, zei hij met een knikje.
Priya knikte verlegen terug en roerde wat in haar soep. Voorzichtig bracht ze de lepel waar het stoom vanaf kwam naar haar mond, zachtjes blies ze tegen het hete goedje aan.
‘Zo en dan kunnen we het nu hebben over hoe je hier terecht bent gekomen.’
Craig doopte een stukje brood in zijn soep en liet het even uitdruipen voordat hij er een stuk af beet.
‘Ik was op weg naar huis toen ik langs je auto reed. Ik weet niet wat er precies gebeurd is, maar het zag er niet best uit.’
‘Was ik alleen?’, vroeg ze ongelovig.
‘Ik zag alleen jou liggen. Je lag aan de kant van de weg. Ik ben gestopt en heb gekeken of je heel ernstig gewond was, terwijl ik een ambulance probeerde te bellen, maar het bereik is hier vreselijk. Het duurde te lang voor ik bereik had  en uiteindelijk besloot ik toen om je mee naar mijn huis te nemen ’
Priya kon niets uitbrengen, ze kon alleen maar denken aan haar vriendinnen. Waar waren zij, als hij ze niet heeft gezien? Wat was er met hen gebeurd?
‘Maar je was dus niet alleen? Ik vond al dat je veel bagage bij je had voor iemand die alleen reisde.’
‘Nee. Nee ik was met drie vriendinnen. Heb je niemand van hen gezien?’, vroeg ze hoopvol.
Craig schudde zijn hoofd; ‘Nee, sorry.’
‘Heb je misschien een tas of iets meegenomen?’, vroeg ze aarzelend.
Weer schudde hij schuldbewust zijn hoofd, daarna schepte hij voor de tweede keer wat soep op.
Priya had inmiddels ook haar bord leeg en besloot om nu toch een broodje te nemen.
‘Als je wil, kunnen we morgen wel even terug rijden naar de plek waar je aangereden bent en kijken of je spullen er nog liggen. Er komen hier niet zoveel mensen gelukkig.’
‘Ja, dat zou fijn zijn’, knikte ze.
‘Ik zal morgen ook even een rondje lopen hier in het bos, het is nu te donker. Misschien zijn je vriendinnen wel op zoek gegaan naar hulp en verdwaald geraakt. Het is nu te donker om iets te doen.’
‘Ken je het hier goed?’, vroeg ze.
Craig lachte zijn prachtige witte tanden bloot.
‘Ja, ik woon hier al jaren.’
Priya fronste haar wenkbrauwen.
‘Waarom zou je hier willen wonen? Ik bedoel, voor een vakantie, prima, maar wonen..’
‘Heb je gezien hoe mooi het hier is?’, zei hij terwijl hij om zich heen keek.
Priya keek naar buiten, maar behalve duisternis was er weinig te zien en ze begon te lachen.
‘Ja, prachtig’, zei ze en knikte spottend.
Craig lachte nu ook en keek naar buiten. ‘Oké, oké, ik snap je. Maar echt, zeker in deze tijd van het jaar, waarop buiten alles zo prachtig verkleurd en iedereen in de natuur zich klaarmaakt voor de winter, is dit toch wel mijn favoriete plek om te zijn.’
‘Ik ken het hier een beetje. Mijn oom heeft hier ergens een huisje, daar waren we naar onderweg. Ik ben er als kind ooit een keer geweest’, vertelde ze.
‘Weet je waar het is? Dan zouden we daar ook eventueel nog kunnen kijken. Misschien zijn ze daar wel.’
‘Ja, ik heb het adres in mijn telefoon. Ik kan wel even kijken…’, haar stem ebde weg toen ze zich besefte dat ze haar telefoon niet bij zich heeft.
Craig zag dat ze teleurgesteld was en probeerde haar meteen gerust te stellen.
‘Als we morgen bij je auto komen dan zullen we daar vast je telefoon vinden. Maak je geen zorgen. Eet nog wat, je moet morgen sterk genoeg zijn om op pad te gaan’, zei hij.
Ze deed wat hij zei en at nog een beetje soep en nam nog een broodje.
In tegenstelling tot eerder deze avond was ze nu niet meer bang voor Craig, hij was eigenlijk heel aardig en naar wat het leek, kende hij de omgeving ook goed.
Misschien zouden ze de anderen wel vinden. Het enige wat ze hoopte was dat er niemand gewond was.

Terwijl zij in gedachten verzonken was, ruimde Craig de tafel op en stookte het haardvuur wat harder. In de herfst werd het al gauw kouder in de avond en dus was het wel fijn om een haardvuur te hebben, zeker omdat er geen centrale verwarming was in dit bos huis.
‘Kom, laten we bij de open haard gaan zitten.’
Craig’s woorden haalde haar uit haar gedachten.
‘Moet ik je niet helpen met de afwas?’, vroeg ze al wijzend naar de spullen die in de wasbak stonden.
‘Dat komt straks wel, laten we eerst even koffie drinken.’
Priya nam plaats op de stoel waar ze eerder ook al op had gezeten en sloeg de deken om zich heen.
Voordat hij ging zitten gooide Craig nog een blok hout op het vuur, daarna nam hij plaats op de tweezitsbank.
‘Heb jij die geschoten?’, vroeg Priya wijzend naar de hertenkop die boven de openhaard hing.
Craig richtte zijn hoofd op naar richting die Priya op wees.
‘Nee, die hing er al toen ik hier ging wonen. Ik zou nooit zomaar een dier afschieten.’
Priya knikte begrijpend. Ze zocht afleiding om niet te denken aan haar vriendinnen en wat er met hen gebeurd kon zijn.
Alsof hij haar gedachten kon lezen zei Craig; ‘Ik snap dat het nu moeilijk is om niet aan je vriendinnen te denken, maar je kunt nu niets doen. We zouden morgen ook eerst naar een wat meer bewoond gebied kunnen rijden en daar naar het ziekenhuis bellen om te vragen of er misschien mensen zijn opgenomen.’
Ongewild rolde er een traan over haar wang en snel veegde ze hem weg met de mouw van haar trui. Ze wendde haar blik van Craig af, richting de open haard en het dansende, knisperende vuur hypnotiseerde haar voor even.
Elke seconde dat ze zich geen zorgen hoefde te maken was er één. Maar hoe hard ze er ook tegen vocht, het lukte haar niet om haar tranen te bedwingen. Eén voor één rolden ze over haar wangen totdat het een stromende waterval werd, die via haar kin uitmondde in haar hals.
Snikkend verstopte ze zich in de deken en ze legde haar hoofd op de rand van de stoel, ze trok haar knieën op en sloot haar ogen. Het had geen zin meer om hiertegen te vechten en dus liet ze haar emoties de vrije loop. Het kon haar niks schelen dat Craig nog in de kamer was.
Uiteindelijk, vermoeid van het huilen viel ze op de stoel, voor de open haard in slaap.

Deel 4

Het zwakke zonlicht, wat zich een plekje toe eigende in de woonkamer, door een kiertje van het gordijn maakte dat Priya langzaam haar ogen opende.
Ze rekte zich uit en toen ze al gapend om zich heen keek besefte ze ineens weer dat alles wat er gebeurd was geen nachtmerrie was, maar de werkelijkheid.
‘Goedemorgen’, zei Craig toen hij de kamer binnen kwam lopen. ‘Ik had je maar laten liggen gisteren, je lag er zo vredig bij.’
‘Het is oké, ik heb in ieder geval kunnen slapen’, zei Priya.
‘Als je wilt douchen, ik heb boven een handdoek voor je neergelegd. Ik heb helaas alleen geen schone kleding voor je’, zei hij bedenkelijk terwijl hij zich op zijn achterhoofd krabde.
Priya zat inmiddels rechtop en rekte zich nog maar een keer uit. Daarna rook ze aan haar kleding. Echt fris was het niet meer, maar ze had geen andere keus dan dit aan te houden.
‘Dank je wel. Dan ga ik maar even douchen’, zei ze terwijl ze richting de trap liep. ‘Waar is de badkamer?’
‘Tweede deur links. Ik maak ondertussen wel een ontbijt.’, zei Craig terwijl hij de ouderwetse koffiepot pakte.
Priya pakte de washand en de handdoek van het bed waar ze de eerste nacht op had gelegen en liep naar de badkamer.
Terwijl het warme water over haar lichaam heen gleed probeerde ze haar gedachten te verzetten, maar het lukte haar niet. Doordat ze de blauwe plekken en schrammen op haar armen en benen zag, kreeg ze steeds meer het idee dat haar vriendinnen er misschien nog slechter vanaf waren gekomen dan zij. Er moest wel iets ergs met ze gebeurd zijn en met die gedachte sprong ze onder de douche vandaan en schoot ze snel in de vuile kleding die ze al 2 dagen aan had.
Ze sloeg treden over terwijl ze naar beneden sprintte, haar haar nog dampend van de hitte van het water.
Craig zat aan tafel en keek op toen hij haar naar beneden hoorde komen.
‘Wat is er ineens met jou?’, vroeg hij verbaasd.
‘We moeten gaan!’, riep Priya.
‘Waarheen? Moet je niet eerst wat eten?’, zei Craig terwijl hij met zijn handen gebaarde naar het eten.
‘Nee, ik heb geen honger. Ik moet mijn vriendinnen vinden!’
Craig stond op van de tafel en liep richting de onrustige Priya.
‘Even rustig. We gaan ook op zoek naar je vriendinnen, maar we moeten wel een goed plan hebben. Dit bosgebied is groot en kan gevaarlijk zijn.’
‘Kan me niet schelen! Ik wil nú gaan!’, riep ze uit, daarna liep ze naar de voordeur.
‘Die is nog op slot. Je zult echt even geduld moeten hebben’, zei Craig rustig.
Priya draaide zich naar hem om en stormde boos op hem af.
‘Ik moet helemaal niks! Laat me eruit, nu!’, schreeuwde ze.
‘En waar wil je dan heen? Hoe wil je daar komen? Je hebt geen auto. Je moet echt even kalmeren. Ik wil en ga je helpen, maar we kunnen niet als een kip zonder kop rond gaan rijden.’
Craig begeleidde haar rustig richting de keuken en Priya nam onder protest plaats op een stoel. Craig schonk wat koffie in voor hen beide waarna hij vroeg; ‘Weet je nog waar de auto stond? Toen ik je vond was het donker en omdat ik snel moest handelen heb ik niet op de verdere omgeving gelet.’
‘Als je een kaart hebt kan ik het wel aanwijzen denk ik’, zei ze.
Craig knikte.
Hij schoof zijn stoel naar achteren en rommelde in de woonkamer wat in een laatje. Daarna liep hij terug naar de keukentafel en opende een kaart.
Priya liet haar ogen over de kaart glijden en het duurde niet lang voordat ze met haar vinger de plek aanwees waar de auto had gestaan.
‘Volgens mij was het daar, maar helemaal zeker weten doe ik het niet’, zei ze aarzelend.
Craig knikte weer en pakte een stift waarmee hij de plek die Priya had aangewezen omcirkelde.
‘Weet je zeker dat je niks wilt eten?’, vroeg hij.
‘Ik krijg nu toch geen hap door mijn keel’, fluisterde ze.
‘Ik begrijp het. Laten we eerst kijken op de plek die jij hebt aangewezen, als we daar niks vinden rijden we deze weg even af en kijken eventueel nog in het omliggende stuk bos’, zei hij terwijl hij zijn vinger over de kaart liet glijden.
De weg die hij aanwees liep nog een heel stuk door en in die hele omgeving was geen dorp of stad te bekennen. Alles wat er om heen lag waren bossen.
Priya knikte instemmend. Daarna stond ze op en ging naast hem staan. ‘Daar’, wees ze met haar vinger op de kaart, ‘was het huisje waar we heen zouden gaan. Misschien kunnen we daar ook even kijken?’, vroeg ze terwijl ze hem aankeek.
‘Hmmm’, mompelde Craig terwijl hij naar de kaart staarde.
‘Kijk, hier loopt een weg er naar toe. Dat was de weg die we uiteindelijk moesten nemen om er te komen.’
‘Ik zie het. Dat gebied ken ik wel. Het is niet heel gemakkelijk om er met je auto te rijden, maar het zou mogelijk moeten zijn.’
‘Oké, laten we gaan!’

Tijdens de rit er naar toe was het stil in de auto. Geen van beide had zin om te praten. Priya was veel te zenuwachtig om iets te zeggen. Ze keek om zich heen in de hoop iets te zien wat een aanwijzing kon zijn of een punt van herkenning.
Craig was gefocust op de weg, er liepen veel wilde dieren hier en hij wilde voorkomen dat hij er één zou verwonden of doden met zijn auto.
Hoe dichter ze bij de plek kwamen waar de auto zou moeten staan, hoe harder Priya’s hart ging slaan.
‘We zijn er bijna volgens mij’, zei Craig.
Priya, die de kaart op haar schoot had keek naar beneden en volgde met haar vinger de weg. ‘Ja, na deze bocht zouden we de auto moeten zien denk ik.’
Craig reed richting de bocht en haalde zijn voet van het gaspedaal, de auto verminderde vaart. Precies toen hij weer gas wilde geven schoot er een vos voor de auto langs en Craig trapte op de rem.
‘Jezus, dat was net op tijd’, verzuchtte hij.
Priya draaide zich om en zag de staart van de vos nog net tussen de bladeren verdwijnen.
‘Ja, zeg dat. Gelukkig ging het goed.’
Ze keken elkaar aan en lachten ongemakkelijk.
‘He, kijk!’, riep Craig uit.
Priya volgde de blik van Craig en zag nu ook wat hij zag. Haar adem stokte in haar keel en ze vergat even om adem te halen.
De auto verminderde vaart en kwam uiteindelijk net achter de auto van Priya en haar vriendinnen tot stilstand.
Zonder er ook maar een seconde over na te denken gooide Priya de deur open, smeet de kaart in Craig’s schoot en sprong de auto uit.
‘Hey! Wacht even!’, riep Craig nog, maar ze hoorde hem al niet eens meer.
Priya sloeg haar handen voor haar mond toen ze de auto zag en de ravage die erbij hoorde. Vol ongeloof liep ze om de auto heen, terwijl haar ogen alles opsloegen wat ze zag.
Achter haar stapte Craig uit en sloeg het portier van zijn auto dicht, met een versnelde pas haastte hij zich richting Priya en de auto.
‘Het ziet er naar uit dat er niemand meer is. Het kan zijn dat de hulpdiensten ze hebben meegenomen, maar waarom zou de auto er dan nog zo bij staan?’, zei hij half mompelend.
Priya zei niks. Ze kon niks zeggen, het enige wat ze kon was kijken naar de auto en zoeken naar aanwijzingen om haar vriendinnen te vinden.
‘Al jullie spullen liggen er nog’, zei Craig terwijl hij in de kofferbak keek.
Priya deed de rechter achterdeur van de auto open en zag haar tas liggen. Ze wilde op de achterbank kruipen om hem te pakken tot ze bloed zag.
Toen ze nog eens goed keek zag ze ook bloed op de grond liggen en ze deinsde achteruit waardoor ze over een steen struikelde en naar achteren viel.
‘Gaat het?’, vroeg Craig die op haar af kwam lopen. Hij stak zijn hand uit om haar omhoog te trekken.
Priya wees naar de auto, maar kon niets uitbrengen.
Craig draaide zich om en zag meteen wat ze bedoelde.
‘Hier ligt ook bloed.’ Priya was naar de passagierskant gelopen en zag ook daar bloed liggen, het raam was kapot, het glas lag op de stoel en op de grond.
Craig keek er naar en liep toen naar de kofferbak, of wat er nog van over is.
‘Het lijkt erop dat jullie vanachter zijn geraakt. Klopt dat?’, vroeg hij terwijl hij de achterkant bestudeerde.
Priya kwam zijn kant oplopen en toen ze naast hem stond en naar de kofferbak keek schoot er een herinnering door haar hoofd.
Een geschrokken zucht ontsnapte uit haar mond en ze duizelde even.
‘Wow, gaat het wel?’, vroeg Craig terwijl hij haar tegenhield, zodat ze niet weer zou vallen.
Het was even stil en Priya’s ogen schoten heen en weer, toen sloeg ze Craig’s hand weg en rende ze naar de berm.
Ze wilde het nog tegenhouden maar haar maag perste zich samen en haar maaginhoud dwong zich een weg naar boven om vervolgens via haar mond op het gras te belanden.
Ze bleef nog even gehurkt zitten om zeker te weten dat er niet nog meer uit kwam.
Ondertussen had Craig een flesje water gepakt en kwam haar kant op gelopen.
‘Hier, dan kun je even je mond spoelen’, zei hij terwijl hij het flesje aan haar aanreikte.
‘Dank je wel’, zei ze terwijl ze het aan pakte en meteen haar mond spoelde. Daarna ging ze een stukje verderop zitten met het flesje water voor haar voeten, ze sloot haar armen om haar benen heen en liet haar hoofd op haar knieën rusten.
Craig ging naast haar zitten.
‘Kun je me vertellen wat er net gebeurde?’, vroeg hij zachtjes.
Ze richtte haar hoofd op en keek hem verbaasd aan.
‘Eh, ik moest kotsen, dat zag je toch?’, daarna legde ze haar hoofd weer terug in dezelfde positie als hoe hij net lag.
Craig onderdrukte een lach en zei; ‘Ik bedoel, de reden dat je ineens niet lekker werd. Herinner je je misschien weer wat er gebeurd is?’
Hij pakte een steentje en gooide het naar de overkant van de weg, terwijl hij wachtte op een antwoord.
‘Er kwam een auto aan. Ik hoorde Lisa nog kijk uit zeggen en daarna werd het zwart.’ Priya’s stem was schor en het kostte haar aanzienlijk moeite om te praten.
Craig knikte begrijpelijk en staarde weer voor zich uit. Hij voelde feilloos aan dat ze even tijd nodig had. De achterste deur van de auto stond nog open en toen Craig dat zag stond hij op. Hij liep er naar toe en trok voorzichtig Priya’s tas naar zich toe.
‘Deze is van jou toch?’, vroeg hij terwijl hij hem open ritste. Toen viel zijn oog op een jas die er lag, pakte deze op en legde hem boven op de geopende tas.
‘Hier, is deze van jou?’ Hij hield de jas omhoog en wachtte op Priya’s goedkeuring. Ze knikte en hij deed hem weer naar beneden terwijl hij met de jas en tas haar kant op liep.
‘Misschien moet je deze even aan doen. Het wordt straks snel kouder. En zullen we deze meenemen, zodat je je bij mij om kan kleden? Dan heb je in ieder geval schone kleren’, opperde hij.
‘Oké.’ Veel meer dan dan kon ze niet uitbrengen en zwijgend stond ze op om de jas aan te pakken en aan te doen.
Ze had niet eens doorgehad dat ze geen jas aan had of dat het wat fris was buiten. Nadat ze haar jas aan had gedaan pakte ze het flesje water op en nam een slokje.
‘Is er nog meer dat je mee wilt nemen?’, vroeg Craig terwijl hij in de auto keek.

Op het moment dat Priya wilde antwoorden viel haar oog op de jas van Rosslyn die wat verder op in het bos verscholen lag.
Ze aarzelde geen moment en rende er naar toe.
‘He, wat ga je doen! Kom terug!’, schreeuwde Craig terwijl hij achter haar aan rende. ‘Je kan niet zomaar het bos in rennen!’
Priya luisterde niet, ze pakte de jas op en keek om zich heen om te zien of er nog meer kleding of andere dingen zouden liggen.
‘Kijk!’, zei ze terwijl ze de jas omhoog hield. ‘Deze is van Rosslyn. Misschien liggen hier nog wel meer aanwijzingen!’
Craig bekeek de jas en daarna de omgeving.
‘Hmm, zou kunnen, maar ik denk het niet. Geef die jas eens hier’, zei hij terwijl hij zijn hand uitstak.
‘Hier, heb je dit gezien? Er zit bloed op’, hij wees naar de vlek op de achterkant.
‘Dat komt misschien van de autoruit. Daar lag ook bloed.’
Priya keek weer om zich heen.
‘Hey, kijk, daar loopt een spoor.’ Craig liep er naar toe met Priya in zijn kielzog.
‘Daar liggen een paar druppels bloed. Daar op die steen’, wees Priya.
Ze keken elkaar aan. Ze wisten dat ze nu iets op het spoor waren.
‘Oké, er is hier iemand geweest, maar we weten niet wie.’
‘Hoezo ‘we weten niet wie’, dat is toch duidelijk, het was Rosslyn!’, riep Priya verontwaardigd uit.
‘Heb jij een DNA test gedaan dan? Ja hier zit bloed op, er loopt hier een spoor van voetstappen en er ligt daar bloed, maar dat kan ook van een dier geweest zijn.’
‘Een dier met voeten?’, spotte Priya.
Craig rolde met zijn ogen. Met zijn handen in zijn zij en de jas van Rosslyn in zijn hand geklemd zei hij; ‘Doe niet zo flauw. Dat bloed kan ook van een dier geweest zijn. Dat spoor is wel raar. Het gaat ook van voetstappen over in een soort sleep en het loopt nog een stukje die kant op.’ Hij wees richting het bos.
‘Dat is zeker raar. Kom, laten we het spoor volgen!’, riep Priya uit.
‘Nee, wacht. Mijn auto staat nog niet op slot en misschien moeten we nog wat water mee nemen en een zaklamp. Het kan erg donker zijn in sommige gedeelten van het bos. Daarnaast is het misschien handig om te kijken of ik bereik heb, dan kan ik het nabij gelegen ziekenhuis bellen en vragen of er mensen binnen zijn gebracht.’
Hij reikte Rosslyn’s jas ondertussen aan Priya aan, zodat zij het bij zich kon houden. Het voelde voor hem een beetje vreemd om met de bebloede jas, van een voor hem volslagen vreemde, te lopen.
‘Hmm, oké daar heb je gelijk in. Laten we terug lopen.’
Terwijl ze terug liepen pakte Craig alvast zijn mobieltje uit zijn broekzak. Hij hield het omhoog in de hoop zo het bereik te vergroten, maar tevergeefs.
Toen ze weer terug bij de weg waren probeerde hij het nog eens. Ondertussen legde Priya haar tas op de achterbank van Craig’s auto en pakte een rugzak waar ze nog 2 flesjes water indeed. Waarom weet ze zelf ook niet zo goed, maar Rosslyn’s jas deed ze ook in de tas.
‘Er liggen twee zaklampen in het dashboardkastje’, zei Craig met de telefoon aan zijn oor. Oh en pak de kaart ook even!’
Priya deed wat haar gevraagd werd en stopte alles netjes in de tas.
Daarna liep ze naar Craig toe, in de hoop dat hij het ziekenhuis te pakken had gekregen.
‘En?’, gebaarde ze.
Craig schudde zijn hoofd en haalde de telefoon van zijn oor.
‘Misschien als ik iets meer daar heen loop’, zei hij.
Hij stond nu een paar meter verder dan de auto van de vriendinnen en probeerde nogmaals het ziekenhuis te bereiken.
Teleurgesteld schudde hij zijn hoofd en liep richting zijn auto.
‘Shit!’
‘Laten we maar gauw het bos in gaan, het wordt snel donker en dan moeten we terug zijn’, zei hij terwijl hij zijn auto op slot deed.
Priya had de rugtas op haar rug gedaan en ze keek nog een keer naar de auto, voordat ze over de vangrail het bos in liep.
Craig liep achter haar aan en ze bleven even staan op het punt waar ze net ook waren om de sporen nog eens goed te bekijken.
‘Rosslyn was de enige die haar jas aan had’, zei Priya uit het niets.
‘Iedereen vond het onzin om een jas aan te doen in de auto, maar zij niet. Zij vond het stom om zonder jas in de auto te zitten en hem weer aan te moeten doen als je de auto uit ging.’
Craig zei niets, hij liet de informatie die ze over haar vriendin vertelde langs zich heen gaan. Het was niet iets waar ze direct iets mee konden en dus voor hem nutteloos.
‘Daar loopt nog een sleepspoor en het lijkt wel of er ook andere voetstappen zijn.’
Hij wees voor zich uit en Priya keek de richting op die hij aanwees. Daarna keek ze om zich heen en zag ze ook hier andere voetstappen, iets wat ze eerder dus niet opgemerkt hadden.
‘Kijk hier staan ook grotere voetstappen’, zei ze wijzend naar de grond.
‘Zijn jullie allemaal even groot?’, vroeg Craig.
‘Nee hoezo?’, antwoorde Priya terwijl ze hurkte.
Ze keek naar de voetstappen die op sommige plekken verdwenen waren door de bladeren die er lagen.
‘Nou, dit zijn grotere voetstappen dan deze’, zei hij terwijl hij ze aan wees. ‘Dus je vriendin was niet alleen. Misschien heeft één van de anderen haar wel geholpen.’ Zijn stem klonk bedenkelijk.
‘Dat zou kunnen, maar dan missen we nog 1 persoon’, zei Priya.
Craig fronste zijn wenkbrauwen en keek haar niet begrijpend aan.
‘We waren met z’n vieren, jij had mij mee genomen. Dan blijven er nog drie over, als dit de voetstappen van Rosslyn zijn’, ze wees naar de kleinere voetstappen, ‘dan moeten die van iemand anders zijn. Maar dan missen we dus nog één persoon.’
‘Ach ja, natuurlijk. Wat stom! Laten verder lopen en kijken tot hoever we dit spoor kunnen volgen.’
Craig begon te lopen, Priya volgde hem.
‘Moeten we niet de bomen markeren ofzo, zodat we de weg terug kunnen vinden.’
‘Nee, je hebt de kaart toch?’
Als bewijs hield Priya hem omhoog.
‘Vouw hem eens open.’
Braaf deed ze wat haar werd opgedragen.
‘Kijk we weten al dat de auto daar staat’,hij wees naar de cirkel die hij thuis had getekend. ‘Als we dus dit pad volgen, dan kunnen we ook niet zo snel verdwalen en weten we de weg terug gewoon nog te vinden.’
‘Goed, laten we dat doen.’ Priya stopte de kaart in de zak van haar jas en ze vervolgden hun weg.
Na een paar meter stopten ze weer. ‘Kijk hier houdt het spoor op’, zei Craig.
‘Ik zie het’, knikte Priya. Ze pakte de kaart er weer bij.
‘Als het goed is, staat hier het huisje waar we heen zouden gaan’, ze wees op een plekje in het bos, vlakbij een meer.
‘Dat ken ik! Ik denk dat ik de weg ernaar toe ook nog wel weet. Het is niet heel ver meer, als we door lopen zouden we er voor het donker aan moeten komen.’
Snel vervolgden de twee hun weg, beiden zaten ineens vol energie en goede moed. Ze hadden het gevoel dat ze op het goede spoor zaten en dat ze de andere meiden daar wellicht zouden vinden.
Met stevige passen baanden ze zich een weg door het bos. Op sommige plekken was het vrij donker, de bomen stonden er dicht op elkaar en nog niet alle bladeren waren gevallen. De zon was ondertussen ook alweer verdwenen en de wolken maakten het er niet beter op, maar daar lieten ze zich niet door weerhouden.
Soms kwamen ze een grote boomstronk tegen waar ze voorzichtig overheen moest, of een klein beekje, wat nog best lastig was wilde je droog over komen. Springen was gevaarlijk, door de modder en de bladeren was het spekglad.

Desalniettemin gaven ze niet op en liepen ze veelal zwijgend richting het huisje bij het meer.
Plotseling stopte Craig.
‘Waarom stop je?’, vroeg Priya nieuwsgierig.
‘Sssstt’, siste hij.
‘Wat?’, gebaarde ze.
Craig hield zijn vinger voor zijn mond en gebaarde dat ze moest luisteren en dus deed ze dat.
Nu hoorde ze het ook! Het waren stemmen.
Beide bleven muisstil en ze verroerden zich niet. De stemmen waren ver weg en het was moeilijk te horen wat er gezegd werd.
‘We zijn volgens mij vlakbij het huisje. Het zouden je vriendinnen kunnen zijn’, fluisterde Craig.
‘Misschien, maar ik kan echt niet horen of het nou mannen- of vrouwenstemmen zijn’, fluisterde Priya.
Ineens waren de stemmen weg en het enige wat ze nog hoorden was het ruisen van de wind die aangetrokken was.
Priya had de kaart erbij gepakt en het klopte, ze waren inderdaad vlakbij het huisje.
‘Laten we richting het huisje lopen’, zei Craig.
Priya knikte.
‘We moeten wel doorlopen want het is nog best ver en het wordt al donker.’
Ze keken beiden omhoog naar de steeds donker wordende lucht en vervolgden toen hun weg weer.
Bij elk geluid wat ze hoorden stopten ze even, in de hoop dat ze er zo achter kwamen dat ze op het goede spoor zaten of gewoon omdat ze schrokken.
De schemering maakte dat het bos er spookachtig uit begon te zien en er liep een rilling over Priya’s rug. Ondanks dat het niet de eerste keer was dat ze tijdens de schemering in een bos liep, voelde het toch niet fijn. Onbewust bekroop haar een naar gevoel wat ze maar niet van zich af kon schudden.
Gedachten dat er misschien iets met haar vriendinnen was gebeurd in het bos of dat ze hier verdwaald waren spookten door haar hoofd.
Totdat een schreeuw haar uit haar gedachten deed ontwaken.
Craig en zij stopten allebei en keken elkaar aan; dit kan niet goed zijn!

Deel 5

Op een heuveltje stonden ze allebei verstijft stil. Hun blikken wendden zich van elkaar af, richting het huisje. Daar kwam de schreeuw vandaan. Omdat het nu echt donker was konden ze weinig tot niets zien.
“Wat doen we nu?”, fluisterde Priya.
“Ik weet het niet”, fluisterde Craig terug.
Beiden zeiden niets, ze moesten even verwerken wat er net gebeurde en of ze er iets mee moesten doen. Een opvliegende kraai die luidkeels schreeuwde joeg ze de stuipen op het lijf.
“Jezus! Ik schrik me elke keer rot van die klote vogels”, mompelde Priya.
Craig onderdrukte een lach die snel verdween toen hij het boze gezicht van Priya zag.
“Ik denk dat we beter terug kunnen gaan. We weten helemaal niet wie we hoorde. Misschien zijn het gewoon vervelende jongeren”, opperde Craig.
Priya stond met haar armen over elkaar en peinzend keek ze voor zich uit. Ergens wist ze ook wel dat Craig gelijk had. Een diepe zucht ontsnapte uit haar mond.
“Misschien wel, maar dan denk ik dat we de politie in moeten schakelen ofzo”, zei ze instemmend. “Hey, je veter zit los.”
Craig keek naar beneden naar zijn schoenen.
“Ze zitten helemaal niet los”, zei hij verbaasd. Toen hij opkeek zag hij Priya steeds verder van hem verwijderd raken.
“Shit!”
Hij zette het op een rennen, hij kon haar naam niet hard schreeuwen, omdat hij niet wist wie er nog meer in het bos waren.
“Verdomme! Stop!”, hijgde hij.
“Nee!”, riep ze terwijl ze vluchtig achterom keek. Op het moment dat ze dat zei struikelde ze over een boomstam en viel ze met een harde klap op de grond.
“Auw. Shit m’n been!”
Craig kwam aangesneld en knielde naast haar neer.
“Doe je rugzak eens af”, zei hij, “dan kan ik een zaklamp pakken.”
Priya deed wat haar gevraagd werd, Craig pakte een zaklamp uit de tas en scheen deze op haar gezicht.
“Doe ‘es niet! Wil je me blind hebben ofzo?”, zei ze boos terwijl ze haar ogen afschermde met haar handen.
“Sorry, ik wilde alleen even zien of alles oké was met je gezicht. Laat me je been eens zien”, gebood hij.
“Mijn been is prima in orde. Ik moet mijn vriendinnen zoeken.”
Priya stond op, ondanks dat haar scheenbeen wel zeer deed. Ze wilde zich niet laten kennen.
“Zie je, niks aan de hand”, ze liep een rondje om haar woorden kracht bij te zetten.
“Je kan niet alleen die kant op gaan, Priya. Je weet niet wie daar zijn.”
Maar ze luisterde niet, pakte de rugzak op en eigenwijs liep ze weg, een heuvel op en bleef daar uiteindelijk stil staan. Vanaf hier kon ze de blokhut goed zien. Het licht brandde en ze zag wat bewegen in het huisje.
Craig kwam achter haar aangelopen en stopte naast haar, hij kneep zijn ogen samen met de gedachte dat hij zo misschien meer kon waarnemen.
“Er zijn minstens 3 mensen in dat huisje”, merkte Craig op.
“Misschien zijn dat mijn vriendinnen wel!”, de opwinding in Priya’s stem was duidelijk te horen.
Craig bukte even en toen hij weer rechtop stond laadde hij een pistool.
Priya’s ogen waren meteen gericht op het wapen dat Craig in zijn handen had. Ze deed een paar stappen achteruit. Dit was foute boel!
Craig zag de schrik in haar ogen en wilde naar haar toe lopen om haar gerust te stellen.
“Blijf uit mijn buurt!”, riep ze.
“Ssst”, siste Craig, “straks horen ze ons nog.”
Maar Priya wachtte het niet af en rende de heuvel af. Ze bleef rennen totdat ze zeker wist dat Craig uit haar buurt was. In de haast om van hem af te komen had ze niet door dat ze al bijna bij de blokhut was.
Ze bleef maar achterom kijken om Craig in de gaten te houden.
Op een gegeven moment rolde ze een heuvel af, een bosje onderaan de heuvel maakte uiteindelijk een einde aan haar gerol en ze kwam tot stilstand. Ze veegde wat blaadjes van haar armen en benen en haalde haar handen door haar haar, zodat ook daar de blaadjes, takjes en ander achtergebleven bos attributen naar beneden viel.

Ze stond op en keek om zich heen. Een paar meter voor haar was het huisje! Haar euforie was snel verdwenen toen ze zich omdraaide.
Shit, daar was Craig! Ze zag hem op de heuvel verschijnen en snel bukte ze in de hoop dat hij haar niet zou zien.
Haar hart bonkte in haar keel van de zenuwen. Zo stil als ze kon bleef ze zitten. Toen ze zag dat hij niet haar kant op ging, maar iets meer naar links, slaakte ze een zucht van opluchting.
Hij had nog steeds het pistool in zijn handen en was naarstig op zoek naar haar.
Hoe had ze hem ook kunnen vertrouwen! Ze kende hem niet eens, hij nam haar zomaar mee naar het bos en ze was ook nog zo stom om met hem dat bos in te gaan. Misschien was het ook helemaal niet waar dat zijn telefoon geen bereik had, maar deed hij maar alsof. Wat als hij nou wel de hulpdiensten had kunnen bellen? Wat als hij in de auto heeft gezeten die hen van achter heeft aangereden?
Ze schudde haar hoofd en een ‘shit’ glipte fluisterend over haar lippen. Ze voelde zich super dom, maar voor nu had ze daar weinig aan. Haar negatieve gedachten over zichzelf konden haar nu ook niet redden uit deze situatie en ze verbande ze dan ook naar de achtergrond, dat was voor latere zorg.
Voorzichtig stond ze weer op en keek opnieuw om zich heen. Ze zag niemand en de kust leek veilig. Ze moest dichterbij het huisje zien te komen om zeker te weten dat haar vriendinnen er al dan niet waren. Zo stil mogelijk liep ze richting het huisje, maar elke halve meter kraakten er takjes onder haar voeten en moest ze weer stoppen om zeker te weten dat niemand haar hoorde.
Craig was in geen velden of wegen meer te bekennen. Het kon zijn dat hij haar nog in de gaten hield om haar later aan te vallen, maar voor nu wilde zich focussen op het huis.
Ook al waren haar vriendinnen daar niet, misschien waren daar wel mensen die haar wilden helpen. Die de politie in konden schakelen.
Ze moest dat huis binnen zien te komen!
Ze was er nu steeds meer van overtuigd dat de personen in het huis haar konden helpen en vol zelfvertrouwen liep ze richting de achterkant. Daar zat een klein raampje waardoor ze naar binnen kon kijken.
Hoewel ze bijna zeker wist dat de mensen in het huisje oké waren begon haar hart toch steeds sneller te kloppen toen ze dichterbij kwam. Even stond ze stil tegen de muur naast het raam. Als ze haar nu zouden zien had ze niet echt een vluchtroute. Achter haar lag het meer en links en rechts was bos. Daar kon ze wel in rennen maar ze wist de weg niet.
“Oké, niet flippen”, fluisterde ze tegen zichzelf, “het komt goed.”
Heel zachtjes sloop ze op haar hurken richting het raam. Ze was net klein genoeg om zich onder het kozijn schuil te houden.
“Die klote tas zit ook in de weg”, fluisterde ze.
Ze besloot om terug te sluipen naar de rand van het bos en de tas daar achter een bosje te verstoppen. Hij zat haar nu alleen maar in de weg. De zaklamp had ze nu ook niet nodig aangezien er genoeg licht van het huisje af kwam.
Toen ze terug liep zag ze in haar ooghoek een schim heel snel bewegen richting het huisje. Haar adem stokte in haar keel en ze bewoog zich langzaam richting een donker deel, dat niet verlicht werd door het huis. Haar ogen bleven angstvallig gericht op de voorkant van het huis, maar er gebeurde niets meer. Misschien had ze het zich wel verbeeld. Het zo donker en stil.
Ze sloop weer richting de achterkant en hield zich even schuil onder het raamkozijn. Ineens hoorde ze stemmen en het leek er even op dat ze in ieder geval één van de stemmen herkende. Het was alleen geen vrouwenstem en ze kon hem ook niet thuisbrengen. Toen de stemmen weer verstommelden draaide ze zich om.
De nieuwsgierigheid nam het over en voorzichtig bewoog ze zich omhoog, met haar handen trok ze zich op haar het raamkozijn en haar ogen doorzochten de ruimte. Er lagen wat lege bierflesjes en jassen, er stonden 3 houten stoelen met in het midden een tafel, die eveneens van hout was. In de hoek zat een deur en aan de overkant zat een raam waardoor ze naar de voorkant kon kijken.
“Hmm dit schiet ook niet op”, zei ze zachtjes tegen zichzelf.
Net toen ze zich weer naar beneden wilde laten zakken keek een paar donker bruine ogen haar aan, door het raam aan de overkant.
Haar hart schoot in haar keel. Het was Craig, hij keek haar recht in haar ogen aan.
Hij gebaarde dat ze zich rustig moest houden en deed zijn wijsvinger voor zijn mond. Ergens vertrouwde ze het niet helemaal, maar aan de andere kant, als hij kwaad had gewild, waarom deed hij dan zo geheimzinnig? Ze besloot het spelletje even mee te spelen en hem het voordeel van de twijfel te geven.
Ze knikte en hij gebaarde dat hij om zou lopen. Hij verdween uit het zicht en Priya liet zich weer zakken en kroop onder het raam, langs de muur. Toen ze bij het raam weg was ging ze weer rechtop staan. Er was nog één raam waar ze ongezien langs moest komen en naar het leek was dat het raam van de woonkamer. Hoe dichterbij ze kwam hoe luider de stemmen werden. Met een hart wat steeds harder ging bonzen sloop ze richting het raam, ze bleef even stil staan en zakte daarna door haar hurken en kroop onder het raam kozijn.
“Hey, hoorden jullie ook wat?”
De stemmen in het huisje werden stil en even was er niets anders dan de wind te horen. Priya hield onbewust haar adem in, bang dat ze haar zouden horen.
“Vast een hert ofzo”, zei iemand en ze gingen verder met hun gesprek.
Priya slaakte een zucht van opluchting en kroop onder het raam door naar de hoek van het huisje. Dat was het meest donkere punt, dus de kans dat ze daar gezien werd was klein.

“Pssst”, hoorde ze ineens.
Ze keek opzij en zag Craig staan, hij wenkte haar naar zich toe te komen. Priya snelde naar hem toe en hij trok hij naar achter.
“Laat me los. Wat doe je”, fluisterde ze op scherpe toon. Ze trok haar arm los en keek hem geërgerd aan.
“Volgens mij zijn ze met niet meer dan drie personen, zoals we al dachten, maar ik weet het niet zeker”, fluisterde Craig.
“Misschien zijn ze wel oké en kunnen ze ons helpen”, fluisterde Priya.
Craig wierp een blik op de blokhut, om te kijken of er niemand aan kwam.
“Dat zou kunnen, maar dat risico kunnen we niet nemen. Ik denk in ieder geval niet dat je vriendinnen hier zijn”, zei hij.
“Wat doen we nu?”, vroeg Priya.
“Daar ginds staat een huisje, vlakbij het meer. Laten we daar heen gaan.”
Priya knikte instemmend.
“Als we het bos in lopen kunnen ze ons niet zien”, zei Craig, “we kunnen die kant op gaan, dat is wel om, maar de kans dat ze ons dan zien is klein”, vervolgde hij.
De twee begonnen te lopen, af en toe keken ze achterom om zeker te weten dat ze alleen waren. Ze liepen over een paadje wat vlak achter het huis lag, maar waar het stikdonker was. Aan de linkerkant zat nog een klein stukje bos met wat kleine paadjes richting het meer.
“Waar is mijn rugzak eigenlijk?”, vroeg Craig ineens.
“Die ligt daar verder op, we lopen er zo langs dan kan ik hem wel weer pakken.”
“Waarom had je hem afgedaan?”, vroeg hij.
“Hij zat in de weg”, antwoordde Priya.
Inmiddels waren ze bijna bij het bos en de plek waar de rugzak lag.
Priya liep er naar toe en pakte hem op, de onderkant was nat van de grond en de condens van de kou. Ze deed hem om en de twee vervolgden hun weg.
Een paar meter verder zag Priya ineens iets liggen, iets wat geen hout of bladeren was.
“Wacht”, ze stopte, “pak je zaklamp eens.”
“Als ik die aan doe, heb je kans dat ze ons zien”, er klonk een twijfel in Craig’s stem.
“Doe nou maar”, drong Priya aan.
Craig gehoorzaamde en pakte zijn zaklamp uit zijn broekzak, klikte hem aan en scheen op de plek die ze aanwees.
“Het is een telefoon”, zei Craig.
Priya pakte hem op en ze drukte hem aan. Het beeld lichtte op en er verscheen een foto van Nikhia haar kat. Ze herkende het beestje meteen. Een rode kater, die opgepropt in een doos lag.
“Deze telefoon is van mijn vriendin! Hij is van Nikhia, dit is haar kat”, zei ze opgewonden.
“Sssst! Niet zo hard”, bromde Craig terwijl hij zijn zaklamp uit deed.
“Denk je dat je hem kan unlocken?”, vroeg hij.
“Ik kan het proberen, maar ik heb geen idee wat de code is”, peinsde Priya terwijl ze nog een keer op het scherm tikte zodat hij wat feller werd.
Ze schoof met haar vinger over de telefoon en er verschenen stippen waarmee je een patroon moest maken om de telefoon te unlocken.
“Je hebt drie pogingen toch?”, zei Craig die naast haar stond.
“Hmm mmm.”
Priya staarde naar het scherm, ze moest iets proberen, het zou zomaar kunnen dat er een aanwijzing in stond.
“Oké, op hoop van zegen dan maar”, verzuchtte ze. Met haar vinger gleed ze vervolgens over de stippen.
“Shit.”
“Denk even goed na, heb je haar misschien ooit haar telefoon zien unlocken?”, Craig klonk bijna wanhopig.
Priya probeerde nog een ander patroon en weer gleed haar vinger over het scherm van de telefoon.
Weer niet.
“Heb je gezien dat de batterij bijna leeg is?”, vroeg Craig.
“Ja, ja.”
Voor de laatste keer gleed ze met haar vinger over de het scherm en hij sprong van het lockscreen af.
Priya en Craig keken elkaar aan en lachten, het was ze gelukt!
Maar al snel verging het lachen ze, het scherm wat blijkbaar nog open stond was haar belscherm.
“Ze heeft het noodnummer gebeld of geprobeerd te bellen”, zei Priya.
Het licht van het beeldscherm werd minder scherp en de batterij gaf nog maar 10% aan.
“Zo te zien heeft ze geen contact met ze kunnen leggen. En kijk, de tijd, dat was gisteravond laat”, merkte Craig op.
“Het was in ieder geval niet net na het ongeluk, ik weet nog dat het ongeveer rond zeven uur geweest moet zijn toen we stil stonden. Hier staat negen uur.”
Priya staarde naar het scherm. Er moet iets gebeurd zijn in de tijd dat ze aangereden werden en Nikhia hier haar telefoon verloor.
“Ik wil je niet bang maken, maar ik denk dat het niet goed kan zijn wat er met je vriendin gebeurd is”, zei Craig voorzichtig.
“Dat denk ik ook niet”, fluisterde Priya met een trillende stem.
“Het lijkt er ook niet op dat ze iets anders met haar telefoon heeft gedaan.”
De telefoon was inmiddels uitgegaan en Priya had hem stevig vast geklemd in haar hand.
“Zoals het eruit ziet lijkt het erop dat ze als laatste het alarmnummer heeft gebeld en dat ze toen haar telefoon is verloren”, vervolgde Craig.
Priya bleef stil ze kon even niks. Ze was bang, bang om hier in het donker met een onbekende man te staan, bang dat er wat met haar vriendinnen was gebeurd en bang dat er ook iets met haar zou gebeuren als ze hier langer zou blijven. Het enige probleem was dat ze nu nergens heen kon. Ze zat vast in het bos en ze zou de hele avond en nacht moeten wachten voor ze weer naar de auto kon gaan.
Craig bleef ondertussen onverminderd door praten.
“Ze zal ook wel geen bereik hebben gehad hier. Het is bijna onmogelijk om hier normaal te bellen”, veronderstelde hij.
Toen Priya wederom geen gehoor gaf aan zijn waterval van woorden keek hij op zij. Priya’s gezicht zag er moedeloos uit en hij wist niet zo goed wat hij moest zeggen of doen.
Wat kon je ook doen, als je zag dat iemands vriendin tevergeefs het alarmnummer had gebeld en haar telefoon verloren had. Wat moest je daarop zeggen?

Maar nog voor hij ook maar iets kon werden zijn gedachten onderbroken, er klonken voetstappen in de verte.
Zonder iets tegen elkaar te zeggen, of elkaar ook maar aan te kijken zetten de twee op het lopen.
Ze kwamen uit op een onverhard pad wat onbeschut was.
“Hey! Wat moet dat! Staan blijven!”, hoorden ze.
Ze keken beide achterom en zagen ineens twee mannen, ze waren dichterbij dan ze dachten. In hoog tempo kwamen ze hun kant op.
De mannen moeten hen gevolgd hebben op de één of andere manier, anders konden ze nooit zo dichtbij geweest zijn.
De twee stonden aan de grond genageld, verstijfd van angst. Ze wilden wel wegrennen, maar hun benen werkten niet mee. Ze leken wel van lood, zo zwaar voelden ze. De angst werd nog groter toen ze zagen dat beide mannen getrokken pistolen hadden.
In een oogwenk reikte Craig in zijn achterzak, pakte zijn pistool, laadde hem en richtte hem op de mannen.
“Als jullie dichterbij komen dan schiet ik!”, schreeuwde hij. In zijn stem klonk angst en dat hadden de mannen door.
Ze lachten en stopten een paar meter voor Craig en Priya. Ze toverden behendig met één hand een zaklamp tevoorschijn en schenen deze in het gezicht van hun vijanden.
“Wat willen jullie van ons?”, vroeg Craig terwijl hij nog steeds zijn pistool op hen gericht had.
“Bek houden!”, zei de kleinste van de twee.
“Leg je pistool op de grond neer en schop hem weg”, zei de langste.
“Nooit!”
Priya klampte zich vast aan Craig’s arm en ze had meteen spijt dat ze aan hem getwijfeld had. Hij was niet slecht, hij wilde haar echt helpen.
“Craig, doe maar gewoon wat ze zeggen”, fluisterde ze met trillende stem.
“Laat me voorzichtig los en als ik zeg rennen dan ren je zo hard je kan het bos in”, fluisterde hij.
“Hey kappen met dat gefluister! Doe Godverdomme wat je gezegd wordt!”, brulde de lange man.
Priya liet voorzichtig Craig’s arm los en schuifelde een klein stukje bij hem vandaan.
“Rennen!”, schreeuwde Craig.
Zonder aarzelen zette draaide Priya zich om en zette het op een rennen. Haar benen bewogen zich in rap tempo onder haar lichaam, het leek of haar voeten nauwelijks de grond raakten.
In alle paniek en het donker wist ze niet welke kant ze opgerend was, maar het was in ieder geval het bos in.
Twee schoten verstoorden de stilte, er klonk nog een schot gevolgd door een schreeuw en gekreun.