Inleiding

Met hoge snelheid raasde hij langs gebouwen en voetgangers. Het getoeter van auto’s en het gezang van vogels wisselden elkaar af. De zon kwam op en zodra hij het rumoer van de stad achter zich had gelaten begon hij te ontspannen. Hoewel hij hield van de drukte die de stad  te bieden had vond hij het heerlijk om dat te ontvluchten en zijn hoofd even leeg te maken door op de fiets naar zijn werk te gaan. Het fietsen langs het water op de lange dijk vond hij heerlijk. Het fluiten van de vogels en het mooie zicht op de stad die langzaam ontwaakte zo ‘s ochtends vroeg waren elke dag weer een klein moment van geluk.
Zeker als er zich een schouwspel voordeed in de lucht, waarin deze paars, oranje en roze kleurde, dat was voor hem toch wel de kers op de taart.
Het was maar een kwartiertje fietsen vanaf zijn appartement in de stad naar zijn werk, maar die vijftien minuten waren kostbaar voor hem. Het waren op de heenweg vijftien minuten die hij gebruikte om zich voor te bereiden op zijn soms hectische werk en op de terugweg waren het vijftien minuten die hij gebruikte om de spanningen en/of eventuele conflicten op een rijtje te zetten.
Soms waren het ook gewoon minuten waarin hij nieuwe strategieën bedacht of nieuwe ideeën zich ontsproten, er was nooit één minuut waarin hij niet ergens aan dacht, maar het meest dacht hij aan haar.

Dat gold niet voor haar, zij was een chaoot in de ochtend. Ochtenden hadden niks ontspannends voor haar. Ze waren een doorn in het oog en ze was altijd blij als ze goed en wel weer in de auto zat om zich chagrijnig, langzaam voort te bewegen in haar auto. Ze was gewoon geen ochtendmens en had altijd even nodig om bij te komen. Tijd om ergens over na te denken had ze eigenlijk niet, ze was al blij als ze op tijd in haar auto zat.
Als het even tegen zat moest ze tijdens het filerijden haar make-up nog af maken. Het kwam nooit voor dat ze zonder make-up op, op haar werk aan kwam. Ze ging nog liever dood dan dat ze geen eyeliner en mascara op had.
Oog voor haar omgeving had ze dan ook niet, daar had ze simpelweg gewoon de tijd niet voor. Het was niet dat het haar niks kon schelen, maar in de ochtend had ze na het wakker worden eigenlijk maar één focus; werken.
Pas als ze op haar werk aan kwam kon ze ontspannen, daarvoor was het altijd de vraag of ze op tijd aan zou komen. Het was bijna een soort strijd met haar zelf geworden en ze vond het leuk dat ze de ene dag alle tijd had voor haar make-up en haar, waar ze de andere dag vluchtig een knot maakte. Zonder dat ze het toe wilde geven, was er ook de mogelijkheid dat ze hem weer zou zien en stiekem vond ze dat wel leuk. 

Hij


Korte ‘goeiesmorgens’ en chagrijnige blikken wisselden elkaar af bij dé roddel plek van elk kantoor; de koffieautomaat. Versnelde passen van collega’s met haast en gejaagde blikken wanneer het druk was.
Hoewel hij er geen hekel aan had, wilde hij er wel zo snel mogelijk weg. Hij hield niet van roddelpraat of nietszeggende gesprekken over koetjes en kalfjes.
Er was één moment waarop hij een uitzondering maakte, of eigenlijk één persoon waarvoor hij een uitzondering maakte.
Dat was als zij binnen kwam.
Haar glanzende zwarte haren, die vandaag bij elkaar gebonden waren in een paardenstaart, zwiepten gedwee heen en weer, terwijl ze met een semi verlegen glimlach aan kwam lopen.
In de loop der tijd was hem opgevallen dat als ze vroeg was ze altijd wel lachte of een praatje met iemand aan knoopte en net wat meer make-up op had, wat haar toch al niet vervelende uiterlijk nog extra in de spotlight zette.
Als ze laat was uitte zich dat door een zware frons op haar voorhoofd, binnensmonds gemopper en net wat minder make-up dan anders, ook was ze veel minder spraakzaam, een beetje chagrijnig zelfs en dat laatste vond hij dan weer amusant.
Haar grote donkerbruine ogen maakten kort contact met die van hem.
Een golf van warmte gepaard met wat lichte nervositeit gleed door hem heen.
Zonder dat hij het doorhad  krulden zijn lippen in een brede glimlach.
Zijn houding veranderde langzaam, doordat hij zo lang was stond hij altijd heel licht gekromd, maar nu stond hij kaarsrecht. Zijn handen die hij eerst nog in elkaar gevouwen voor zijn borst hield,  rustten nu op zijn heupen en zijn benen waren iets gespreid.
Waar hij eerst nog met een milde stem sprak, werd deze nu wat luider en zwaarder. Hij schraapte zijn keel en probeerde zo casual mogelijk ‘goedemorgen’ te zeggen.
De zoete geur die ze bij zich droeg, hing om haar heen als een onzichtbare sluier en verspreidde zich naar zijn neus toen ze dichterbij hem kwam. Het maakte hem week en warm van binnen.
Eigenlijk was zij alles;
De letters van haar naam klonken als de noten van zijn favoriete muziekstuk. Zij stond voor het zachte zonlicht, in de lente op een vroege zondagochtend dat voorzichtig haar intrede maakt, met de geur van verse koffie en croissants.
Ze was als een frisse zeebries op een hete zomerdag, het verkoelende gevoel van net gewassen lakens die je verhitte huid voor het eerst aanraken.
Zij was de geur die je lichaam vasthoudt na een stranddag, een zoete mix van zonnebrand en zand met een vleugje zilt van de zee.
Met een lach begroette ze iedereen die daar was, maar voor hem voelde het alsof ze alleen hem gedag zei.
Als zij in dezelfde ruimte was als hij, dan leek het alsof er niemand anders was.
‘Ben je weer op de fiets vandaag?’
Ze plaatste een plastic bekertje onder de dispenser en drukte op het knopje waar ‘koffie’ op stond.
De machine begon zijn werk te doen en vulde het plastic bekertje met de gloeiend hete koffie.
‘Altijd he’, antwoordde hij.
Ze grijnsde ‘weet ik.’

Voorzichtig pakte ze het bekertje aan de bovenkant vast, de hitte vermijdend.
‘Met zulk mooi weer moet je niet in een auto zitten joh.’
Hij pakte zijn koffie en liep met haar mee naar de hal.
‘Om het goed te maken zal ik straks met de lunch buiten gaan zitten’, licht sarcasme scheen door haar woorden heen.
Hij lachte.
‘Nou ik ga naar boven, misschien zie ik je later nog wel.’
‘Ja, ik ga ook maar eens aan de slag.’
Hij vond het bijna schattig hoe haar korte benen zich een weg omhoog baanden. Hij kon met zijn lange benen met gemak een tree of twee over slaan.
Lang had hij niet om dit te aanschouwen, een klap op zijn schouder bracht hem terug in de realiteit.
‘Wat sta jij hier nou weer te doen? Kom aan het werk. Het is druk.’
Het voelde alsof hij betrapt was en hij liep rood aan. Gelukkig liep zijn collega al door en zag hij de blos op zijn wangen die zijn gezicht nu sierden niet.
Tijdens het werken bleef hij zo nu en dan aan haar denken. Elke keer als er iemand binnenkwam in het kantoor waar hij zat keek hij op en zochten zijn ogen hoopvol naar die van haar en elke keer dat hij ze niet vond ging hij teleurgesteld weer verder met zijn werk.
Deze keer had hij niet door dat ze binnenkwam, hij was druk aan het telefoneren en had totaal geen oog voor zijn omgeving.
Totdat hij haar lach hoorde, hij keek meteen op en zag haar staan bij de printer. Zijn ogen dwaalden van boven naar beneden, de paardenstaart die ze in had werd bij elkaar gehouden door een rode bandana, ze had een baby blauwe blouse aan, wat haar bruine huid mooi complimenteerde en daaronder had ze een spijkerbroek aan die haar volle billen en benen complimenteerden. Een paar vlotte sneakers maakten het geheel af. Hij hield van haar stijl, ze was vaak eigenwijs en ging niet perse met de mode mee. Als hij ergens een hekel aan had waren het wel van die modepoppetjes.
Toen hij haar vanmorgen zag had hij niet eens gelet op wat ze aan had, ze had hem eigenlijk al betoverd toen ze binnenkwam en naar hem lachte.
Ze praatte met een collega en blijkbaar maakte hij haar aan het lachen. Een steek van jaloezie ging door hem heen en hij wilde dat hij daar stond, dat hij degene was die haar aan het lachen maakte.

Met moeite probeerde hij zich te concentreren op zijn gesprek.
Het moment dat hij zijn ogen weer op zijn beeldscherm wilde richten, greep haar blik hem. Ze staarden naar elkaar en het leek een eeuwigheid te duren, maar in werkelijkheid waren het maar een paar seconden. Hij wist niet wat hij moest doen en aan haar houding te zien voelde zij zich ook ongemakkelijk.
Haastig keek ze weg, ze wilde bukken om haar papieren te pakken, maar de collega die er bij stond was haar voor geweest en reikte haar de papieren toe. Met een vriendelijke lach bedankte ze hem en liep weer weg.
De manier waarop haar heupen heen en weer gingen als ze liep en haar zwiepende paardenstaart brachten hem even in een trance.
De stem aan de andere kant van de lijn schudde hem wakker, waarop hij zich weer concentreerde op zijn telefoongesprek.
De rest van de ochtend bleven haar ogen die hem aanstaarden maar in zijn hoofd hangen en hij had voor het eerst moeite om zijn werk goed te doen.
Leek het maar zo of was haar blik anders dan normaal?
‘He man, ga je mee?’
Hij keek op van zijn scherm en zag Jeroen naast hem staan. Daarna keek hij naar zijn scherm en zag de tijd.
‘Ja ik kom zo man, even dit afmaken.’
Jeroen lachte ‘Het is ook altijd hetzelfde liedje met jou he. Ik zie je zo man. Ik ga naar buiten, de rest volgens mij ook.’
‘Ja ik ook, zie je zo.’
Jeroen liep weg en Tom maakte nog even de e-mail af waar hij mee bezig was.
Toen hij in de kantine was keek hij door het glas naar buiten. Het duurde niet lang voordat hij haar gevonden had. Ze zat op een bankje in de zon, één been hing naast haar, het bungelde heen en weer, waarschijnlijk omdat ze net niet bij de grond kon. Met haar andere voet stond ze op de zitting van het bankje waardoor haar been in een boogje stond.
De zon scheen op haar gezicht en ze genoot zichtbaar van de warmte. Met haar handen steunde ze op de zitting van het bankje zodat ze een beetje naar achteren kon leunen. Ze leek wel een godin zoals ze daar zat, gouden zonnestralen die vochten om haar aanwezigheid.
Hij rekende snel zijn eten af en liep door de deuren naar buiten, de warmte viel als een warme deken over hem heen. Hij stond even stil om eraan te wennen, hij was gewend aan de verkoelende lucht van de airco. Ondertussen overweegde hij of hij bij haar aan de tafel moest gaan zitten.
Hij zag dat de tafel waar Jeroen en de anderen aan zaten vol zat en hij had niet zoveel zin om bij collega’s van een andere afdeling te gaan zitten, behalve dan bij haar.
‘Hey, is het goed als ik hier even kom zitten?’, vroeg hij.
Ze deed haar bruine ogen open, de zon was scherp en snel hield ze haar hand tegen haar voorhoofd zodat deze kon dienen als zonneklep. Vanonder haar hand keek ze hem aan, haar wimpers reikte nog net niet tot aan haar wenkbrauwen. Hij vroeg zich af of ze echt waren of niet.
‘Ja natuurlijk. Ik zei toch dat ik tijdens de lunch buiten zou gaan zitten’, knipoogde ze.
Voor heel even was hij van zijn stuk gebracht, knipoogde ze nou echt naar hem? Zijn hart begon sneller te slaan en hij voelde een lichte tinteling in zijn onderbuik. Wat deed deze vrouw met hem?
Hij gooide zijn lange benen over het bankje en nam tegenover haar plaats.
‘Zit je wel lekker zo?’, vroeg ze, wijzend op zijn benen.
Hij lachte ‘Ach je went eraan.’
‘Moet je niet eten?’, vroeg hij.
Ze keek naar haar onaangeraakte lunch.
‘Oh. Helemaal vergeten. Ik was zo aan het genieten van de zon.’
‘Ik zag het.’
Ze keek hem vragend aan.
‘Ik zag je zitten toen ik binnen stond,’ zijn ogen fonkelden ondeugend.
Ze lachte verlegen. Zo kende hij haar niet, verlegen. De momenten waarop hij haar zag kwam ze altijd heel spontaan over.
‘Je weet dat staren onbeleefd is hé?’
‘Je weet toch dat ik graag naar je kijk?’
Hij voelde dat zijn wangen rood kleurden nadat hij dat had gezegd, nu was er geen weg meer terug. Daarna realiseerde hij zich dat zijn collega’s hem ook konden horen.
Even bleef hij stil, maar iedereen om hen heen was zo druk in gesprek dat ze niks gemerkt hadden.
‘Oh is dat zo?’, vroeg ze quasi verbaasd.
Hij trok zijn schouders op en gaf haar een speelse blik.
‘Waarom was je eigenlijk beneden?’, vroeg hij om het onderwerp te veranderen.
‘De printer op onze afdeling is stuk, vandaar.’
Al kauwend knikte hij begrijpend.
‘Je was druk aan het bellen hé’, zei ze terwijl ze hem uitdagend aan keek.
Even bracht ze hem van zijn stuk.
‘Het ene moment ben je verlegen en het andere moment ben je zo recht voor zijn raap’, dacht hij bij zichzelf.
‘Ja dat klopt. Sommige klanten vragen nogal wat aandacht’, lachte hij.
Maar hij wist precies wat ze deed, dit was namelijk niet de eerste keer dat ze zo een opmerking maakte. Het uitwisselen van blikken op de werkvloer was een geheim spel geworden tussen hen. Het bleef even stil tussen de twee en ze staarden elkaar aan. Het was een intense blik, hij vroeg zich af wat ze dacht.
Het liefst was hij nu voorover gebogen en had hij met zijn hand haar zachte wang gestreeld. Had hij haar kin tussen zijn duim en wijsvinger gehouden, terwijl hij zijn gezicht dichter naar de hare bracht, zodat hun lippen nog maar een paar millimeter van elkaar verwijderd zouden zijn. Hij wilde haar zijdezachte lippen op de zijne voelen, ze zouden smaken naar aardbeien.
Er waren meer momenten als deze tussen hen geweest, maar ze hadden er beide nog nooit wat mee gedaan. Hij wist daarnaast ook niet zeker of ze hem wel zag op de manier waarop hij haar zag, ook al hing er altijd een bepaalde spanning in de lucht als ze bij elkaar in de buurt waren. Ze keken elkaar meestal net wat langer aan dan je normaal bij een collega zou doen.
Maar goed hij kon het zich ook allemaal verbeelden. Wie weet was ze altijd wel zo naar iedereen? Misschien was ze soms gewoon speels naar anderen en zat er niks achter.
Ze verbrak de betovering door haar glas te pakken.
‘Je water zal wel warm geworden zijn’, merkte hij op.
‘Dat is niet het enige wat warm is’, ze nam een slok, ‘het is buiten ook behoorlijk warm hé.’
Een grijns verscheen op haar gezicht en ze zette het nu nog halfvolle glas neer.
Dit kon geen toeval zijn, dit deed ze opzettelijk.
Hij werd ongemakkelijk van haar opmerking en merkte dat hij het nog warmer kreeg dan hij het al had bij de gedachte dat hij haar zou kussen.
Hij streek wat zenuwachtig met zijn hand over zijn stoppelbaardje.
‘Ja, ja het is heel warm. Gelukkig hebben we airco binnen. Kan ik even afkoelen’, ratelde hij.
‘Is het zo erg?’, giechelde ze.
‘Mwah’, zei hij schouderophalend.
‘Ik ga maar eens wat doen’, zei ze terwijl ze haar spullen pakte.
‘Hier, laat mij maar.’
Hij pakte haar bord en glas van haar aan.
Zijn vingers raakte heel kort die van haar en hun ogen ontmoetten elkaar opnieuw.

‘Dank je’, zei ze bijna fluisterend, terwijl ze nog steeds elkaars blik vast hielden.
‘Geen probleem’, antwoordde hij.
Samen liepen ze, zonder wat te zeggen naar binnen.

Niets brandde meer in hem dan het verlangen om voor haar willen zorgen, haar te beschermen en te zorgen dat het haar aan niets ontbrak. Hij zou haar koesteren, liefhebben, haar lichaam in de zevende hemel brengen. In zijn hoofd leefde soms het idee van hen samen.
Van haar, in zijn bed, van hem die haar vanaf een afstandje zou bewonderen, terwijl de zon haar huid zou verwarmen en haar meest intieme delen alleen bedekt zouden worden door een dun laken. Haar verlegen lach, haar ondeugende ogen, haar prachtige lange zwarte haar, zou imperfect langs haar gezicht vallen, maar voor hem perfect. De witte vitrage voor zijn raam zou zachtjes heen en weer bewegen als in een videoclip. Buiten zou de lucht blauw kleuren, de vogels zouden hun mooiste liedjes alleen voor hen fluiten en de bloesem in de bomen zouden het romantische plaatje afmaken. 

Met zijn hand reikt hij naar haar gezicht, zijn vingers strelen haar wang. Hun ogen zijn alleen gericht op elkaar. Zachtjes bijt ze op haar onderlip, zijn aanraking wakkert een diepe passie aan bij haar.
‘Jezus, wat ben je mooi’, fluistert hij. Zijn blik glijdt van haar gezicht, over de rest van haar, voor hem perfecte, lichaam. Haar rondingen, haar heupen, die zich prachtig presenteren door het laken dat daar strak om haar heen zit, haar stevige boven benen, waar hij gisternacht nog speels in beet, waar hij in kneep, die hij streelde, terwijl ze in elkaar opgingen.
Ze voelt hoe zijn ogen haar opnieuw verslinden, haar ademhaling versnelt, met haar benen, die net onder het laken uitsteken, wrijft ze bijna als in slow motion over elkaar heen. Ze voelt het verlangen naar zijn aanraking, zijn kussen, zijn lichaam tegen dat van haar, haar verlangen naar zijn hele zijn, groeien.
Verlegen sluit ze haar ogen, ze wil hem en tegelijkertijd wil ze zich voor hem verstoppen, ze voelt zich kwetsbaar terwijl ze zo naast hem ligt. Het laken, dat niets onthullend over haar heen gedrappeerd is, trekt ze voor haar gezicht.
‘Niet doen’, zegt hij. ‘Je hoeft je niet te verstoppen voor mij. Je bent perfect.’
Zijn stem is laag en hij moet moeite doen om zijn ademhaling onder controle te houden. Zijn hand bedekt haar wang en met zijn duim streelt hij over haar zijdezachte lippen, de zijne brengt hij nu dichter bij haar en met zijn vrije hand trekt hij haar in één keer naar zich toe.
Haar ademhaling versnelt nu ook en het duurt niet lang voordat hun lippen zich tegen elkaar aan drukken en ze opnieuw op gaan in elkaar.

‘Gozer, wat ben je aan het doen?’
Hij draaide zich om en voelde zich betrapt.
‘Je ziet eruit alsof je een geest hebt gezien’, zei Jeroen tegen hem.
Tom had even nodig om zich te herpakken, zijn ogen hadden moeite om niet naar buiten te kijken.
‘Staat je toekomstige vrouw met een andere man te zoenen?’, grapte zijn collega.
Tom fronste zijn wenkbrauwen en lachte daarna ongemakkelijk.

‘Wat? Pffft, nee joh.’
‘Hé, is dat niet Nirosha?’, zei Jeroen terwijl hij nu ook uit het raam keek.
‘Ja, klopt ja.’
‘Met wie staat ze daar zo intiem te praten? Ziet er nogal heftig uit als je het mij vraagt.’
Tom haalde zijn schouders op. ‘Geen idee, ik heb die gozer hier nog nooit gezien’, hij probeerde zo nonchalant mogelijk te klinken.
Jeroen keek hem onderzoekend aan, even dacht Tom dat hij hem door had en dat zijn collega er achter zou komen dat hij gevoelens had voor Nirosha.
‘Ach ja, heb jij die nieuwe klant nog gesproken toevallig? Ik heb nog niks gehoord.’
Jeroen ging weer naar zijn plek en nam plaats achter zijn bureau, wat schuin tegenover dat van Tom staat.
‘Ja, gisteren had ik iemand van hun aan de telefoon, maar maak je borst maar nat. Ze zijn niet de makkelijkste hoor.’
Tom stond nog steeds bij het raam met zijn handen in zijn zakken staarde voor zich uit. Heel even dacht hij terug aan het moment dat hij dat gesprek voerde, waarin hij een moment had met haar.
‘Nou dat is ook niet de eerste keer, dus dat kunnen wij wel handelen’, gniffelde Jeroen.
Maar Tom’s gedachten waren al ergens anders, bij haar. Zijn ogen dwaalden ongewild, af naar buiten, naar haar en hem. Zij stond tegen de muur, hij stond tegenover haar, met haar gezicht in zijn handen. Waarom deed hij dat?
Het leek of hij iets tegen haar zei, hij drukte zijn voorhoofd tegen dat van haar, maar zij duwde hem weg.
Hij wilde naar haar toe, haar beschermen, het kon hem niet schelen wie de onbekende man was die bij haar stond. Net op het moment dat hij weer wilde gaan zitten vonden haar ogen die van hem.
Zij zag hem en hij zag haar.
Shit!